Essentie, Ik ben, Inquiry, Relaties en sexualiteit

Ontwikkelingspsychologie, Zelfrealisatie, Essentie en de dood

Pas op! Dit artikel is erg lang.

De verandering is subtiel, in plaats van het leven te zien vanuit het filter ‘ik ben iemand’, wordt het leven ervaren als ‘essentie’

Wat is Zelfrealisatie?
Zelfrealisatie is de voortdurende verwerkelijking dat ik ‘kennendheid of bewustzijn’ ben.  ‘Ik’ is alles wat ervaren en niet ervaren wordt. Het is onkenbaar voor zichzelf en tegelijk is het ‘kennendheid of bewustzijn’.

De ‘deur’ naar Zelfrealisatie is de conceptloze aanwezigheid (ik ben).

Wanneer het centrum, de innerlijke kern, de ruimte krijgt en zich verstevigt, wordt de essentie ‘aanwezigheid’ sterker. Er ontstaat meer ruimte voor de bewegingen van de persoon, anderen en de wereld. De ervaring ‘ik ben’ verdwijnt niet, het wordt onpersoonlijk en oneindig groot.

Wat is ego?
Ego is een zelf organiserend proces wat de energie en informatie stroom in het lichaam reguleert. Ego komt voort uit het hele lichaam en de relatie met de omgeving. De regulatie gebeurt door een voortdurend proces van waarnemen en beïnvloeden. Ego is een proces wat geïdentificeerd is met het in stand houden van het lichaam in een wereld.

Het basis probleem.
Het ego is geïdentificeerd met het lichaam. Het volgt daarom de drie instincten die bij het lichaam horen; overleven, seksuele drift (voortplanting en ontlading) en sociale communicatie (hechting). De ware identiteit ligt echter voorbij het ego en het lichaam. Het basisprobleem is dan ook de voortdurende (onbewuste)  identificatie met het lichaam.

Het ontstaan en het doorzien van het concept: ‘ik ben een persoon met een lichaam’.
De ontwikkeling van identiteit (ik ben een persoon) naar Zelfrealisatie (kennendheid) verloopt in stadia. Er vindt eerst een opbouw van ego patronen plaats en daarna een doorzien van deze structuren en de ervaring van Essentie en Zelfrealisatie.

Het gevoelsidee ‘ik ben een persoon’ wordt tijdens dit proces steeds transparanter en onpersoonlijker, zonder dat de essentie van het unieke persoon-zijn verloren gaat. De ontwikkeling van ‘ik’ is een proces van toenemende synthese en integratie.

Integratie.
Integratie is het verbinden van gedifferentieerde delen. Zelfrealisatie is een integratie van het ego en bewustzijn. Voor deze integratie is er een onthechting nodig van de lichamelijke instincten waar het ‘ik’ zo aan gehecht lijkt te zijn. In deze onthechting ontstaat er helderheid over je werkelijke identiteit; kennendheid. Een goede ego opbouw is een voorwaarde voor integratie. Een evenwichtige hechting met ouders (en/of andere hechtingsfiguren) is weer een voorwaarde voor een stabiel ego. Elk kind heeft een aangeboren neiging tot het zoeken van nabijheid van de verzorger. Dit gehechtheidssysteem wordt ingeschakeld in geval van stress en wordt uitgeschakeld wanneer het kind door de hechthingsfiguur wordt gerustgesteld. Wanneer de hechting in de eerste drie jaar van het kind niet goed verloopt ontstaan er vormen van chaos en/of rigiditeit in de zelfregulatie. Een gestoorde zelfregulatie staat zelfrealisatie in de weg.

Mijn stelling in dit artikel is dat elke hechtingsrelatie in de vroege jeugd niet optimaal verloopt en dat hiernaar gekeken moet worden om uiteindelijk te komen tot autonomie en Zelfrealisatie.

Mijn definitie van Essentie.
In onderstaande gebruik ik vaak het woord ‘essentie’. Essentie is onze natuurlijke staat. Essentie is een subtiele energetische – niet lichamelijke – substantie. Essentie heeft oneindig veel vormen zoals; vreugde, voeding, vrede, kracht, autonomie, leiding, aanwezigheid, versmelting, alwetendheid, onoverwinnelijkheid, liefde, intelligentie, eerlijkheid en wil. Essentie is te ervaren als jezelf. De verwerkelijking van essentie heeft invloed op het lichamelijke leven. Het brengt gevoelskwaliteiten zoals; onveranderlijkheid, sereniteit en een zachte onverwoestbare kracht. Essentie is de rijkdom van zelfrealisatie.

Fases in de psychologische ontwikkeling van het ‘ik ben’.
1.Autistische fase (0-2 maanden). Een fysieke wrijving, een orgasme, een bevruchting en het begin van een celdeling. De groei van een menselijke vorm. In de baarmoeder is er een oceanisch gevoel zonder grenzen. De baarmoeder aanrakingen geven een gevoel van veiligheid. Essentie Zijn. De foetus voelt wat de moeder voelt en wordt daardoor voorbereid op de buitenwereld zoals de moeder die ervaart. De geboorte is een enorme gebeurtenis; de baby moet door een nauwe doorgang geperst worden en na de geboorte ineens lucht via de longen inademen. De eerste ademhaling is een scherpe pijn. De steun van de baarmoeder is weg. De geboorte brengt allerlei zeer heftige gevoelens te weeg en worden hoogstwaarschijnlijk als traumatisch ervaren. Het bewustzijn na de geboorte is net als in de baarmoeder een oersoep van sensaties. Het babybewustzijn maakt wel onderscheid tussen de verschillende zintuiglijke waarnemingen zoals een zwart vlak op een witte achtergrond, een gevoel van honger en een beweging van een arm, maar heeft geen referentiepunten zoals; ‘binnen’ of  ‘buiten’ het lichaam of een gevoelsidee van ‘zelf’ of ‘moeder’. Er is geen denken. Bewustzijn  maakt geen onderscheid tussen bewegen en waarnemen. Alles is ‘ervaren’. Er is een ongedifferentieerd Zijn, een aanwezigheid zonder solide grenzen.

baby2.Symbiotische fase (0-5 maanden). In deze fase vormen zich de eerste grenzen en gedifferentieerdheid in het waarnemen. De symbiose is een ervaring van twee-eenheid met de moeder. Door de vele aanrakingen van, fysieke bewegingen en het waarnemen met de zintuigen wordt de ruimte van het lichaam langzamerhand afgebakend. Er ontstaat een referentiepunt van ‘binnen’ en ‘buiten’ het lichaam. Hier ligt het begin van de ervaring van afgescheidenheid; ik en de ander/buitenwereld. Het sterkste referentiepunt hierbij is de verbinding met de moeder, want dat staat gelijk aan het genot van versmelting (een gevoel van veiligheid) en voeding (genot en overleven). Essenties Versmelting en Voeding. De versmelting kent ook pijn (afwezigheid van de moeder en daarmee samenhangende negatieve emoties). De baby (en later het kind) zal altijd een gevoel van te kort ontwikkelen, omdat het elk moment om liefde en aandacht vraagt en er geen moeder bestaat die dit volledig/voortdurend kan bevredigen. Hier ontstaat ook de diepste kern van het ego, een in zichzelf terugtrekkende/schizoïde afweer tegen het gevoel van te kort. Er zijn meerdere structuren die daar weer bovenop kunnen komen zoals narcistische, borderline en andere neigingen.

In deze fase voelt en verinnerlijkt de baby ook gevoelens die bewust of onbewust in de moeder leven. Dit kunnen gevoelens zijn die van generatie op generatie zijn overgebracht en wordt negatieve versmelting genoemd. Deze versmelting gaat dus niet via het gedrag van de ouders over op het kind, maar meer via een energetische overdracht. Wanneer het proces van symbiose goed verloopt (genoeg voeding en veiligheid) start er van binnenuit een separatie en individuatie proces.

3.Separatie en individuatie fase (5-36 maanden). Er is in deze periode af en toe een gevoel van Essentiele Identiteit (ik ben, aanwezigheid) wat gekenmerkt wordt door een gefocuste blik in de ogen. Dit is nog niet bewust  gebonden aan het lichaam of  herinneringen. Dit is het essentiële gevoel van zelf (ik ben) en de bouwsteen voor het zelfbeeld. Liefdevol oogcontact met de moeder is belangrijk. Het bevestigd het gevoel van Essentiele Waarde en veiligheid. Door een individuatie en separatie proces aan het einde van het eerste jaar begint er een ontwikkeling naar het los komen van de  moeder. Door de Essentie Kracht wordt het mogelijk om uit de symbiose te komen en een gesepareerde autonomie te voelen. Het gevoel van autonomie wordt sterker en sterker. Het verinnerlijkte moederbeeld is inmiddels een mengsel van genot (liefde, voeding, veiligheid) en pijn (een te kort of afwezigheid van de moeder). De mate waarin de hechtingsfiguren (ouders of anderen) een veilige of onveilige omgeving hebben neergezet bepaald de mate van zelfregulatie van het kind. De innerlijke regulering is in de eerste levensjaren afhankelijk van de reacties van de ouders. Deze reactie dynamiek wordt verinnerlijkt tot een patroon van zelfregulatie.

In een gezond hechtingsproces gaat een kind wat zich onveilig voelt naar zijn ouders om de spanning te ontladen (aanraking of contact). Wanneer de ouders een koude of juist agressieve opvoeding geven gaat het kind de ouders uit de weg. De spanning wordt niet ontladen  en er ontstaan gevoelens van isolatie, angst en agressie. Deze reacties worden een onderdeel latere contacten met anderen. Vooral wanneer het gaat om mensen die dichtbij komen (geliefden, collega’s, leraren, etc.). Een gebrekkige zelfregulatie leidt vervolgens vaak naar gepest worden en onaardige reacties van anderen. De cirkel is rond.

Het separatie en individuatie proces waarbij de baby loskomt uit de symbiose kent verschillende emoties; verwarring, angst, boosheid, frustraties en kracht. Deze emoties zijn allemaal nodig om autonoom te worden. Boosheid heeft een belangrijke rol, omdat er een gevoel van kracht in zit. Deze kracht is een middel om los te komen uit de symbiotische afhankelijkheid.

De gevoelens die ik in deze tekst beschrijf zijn ook te herkennen in je huidige volwassen toestand waarin voortdurend processen van symbiose en autonomie plaatsvinden. Kijk naar je liefdesrelaties, werkrelaties en autoriteitsrelaties. Het belang van deze tekst is om je te laten zien dat alle patronen in de volwassen toestand zijn oorsprong hebben in de kindertijd.

De Essentie Autonomie groeit. Er is nu een voortdurende beweging en regulatie van Versmelting en Autonomie. Vaak zie je in deze periode dat het kind overgangsobjecten zoals een knuffel gebruikt om zonder moeder aanwezig te zijn. Het kind kan steeds langer alleen spelen.

De moeder is aanwezig in de vele emotionele commoties rondom de separatie en individuatie fase en voelt (als het goed gaat) mee zonder zich te verliezen in de emoties. Deze aanwezigheid is belangrijk voor het kind om zich veilig en verzorgd te blijven voelen. Het leert zo ook om zelf de emoties te dragen (containment, ‘zijn met wat er is’). Afwezigheid van liefde, verzorging, empatische resonantie en aandacht staat voor de baby gelijk aan doodsangst en gevaar. Splitsing is een andere dynamiek in deze fase. Het kind verdringt het slechte moederbeeld wat gelijk staat aan pijn. Er is een belang om de moeder altijd als ‘goed’ te zien.

Langzamerhand ontstaat er meer focus in het waarnemen en handelen. De individuatie wordt sterker. Al deze ervaringen worden op een onbewuste manier vastgelegd (impliciet geheugen). De oefenende peuter beweegt zich met een gevoel vol zelfvertrouwen en grootheid in de wereld (kracht/ik kan). Het onverwoestbare gevoel van het ware zelf wordt echter geconfronteerd met de kwetsbaarheid van het lichaam en de afhankelijkheid van de moeder. Om de pijn van deze hulpeloosheid tegen te gaan wordt er een imitatie van essentie opgebouwd. Hier wordt het patroon van narcisme geboren. Narcisme is een overlevingsstrategie. De gevoelens van grootheid en onoverwinnelijkheid die feitelijk vormen van essentie zijn worden in narcisme als een defensie gebruikt. Er ontstaat een steeds verdere verwijdering van essentie. De kern van narcisme is een gevoel van leegte, gebrek aan steun en hulpeloosheid. Om dit niet te voelen creëert het enerzijds gevoelens van grootheid, maar ook een dynamiek van idealiseren en een bevestigen van zijn eigen grootheid in de vorm van zoeken naar eindeloze steun.

Op latere leeftijd is het belangrijk om de Essentie Grootheid en Onoverwinnelijkheid van het narcisme te herontdekken als jezelf terwijl het defensieve karakter van dit patroon moet worden doorzien. Als volwassene kun je pijn verdragen en brengt het je juist naar essentie.

De drie kindbeginsels; 1. gevoel van zelf (ik ben), 2. ontstaan van een perceptie van afgescheidenheid (omgevingsbewustzijn, loskomen van moeder) en 3.  gevoelens van te kort (hulpeloosheid, frustratie, machteloosheid) zijn belangrijke subtiele gevoelens die op latere leeftijd weer bewust ervaren moeten worden om naar een ervaring van autonomie, heelheid en  uiteindelijk zelfrealisatie te komen.

4.De oefenfase (7-16 maanden) is er een van vallen en opstaan. Begrenzing van de ouders, een verlies van het gevoel van grootheid en de ontwikkeling van narcisme als afweer tegen het verlies van versmelting en gevoelens van zwakheid. Er is de frustratie van het afgescheiden zijn en tegelijk een zich ontwikkelende Essentie Wil. Een proces van het vinden van autonomie en de juiste afstand en nabijheid. Een ‘afgescheiden lichaam zijn’ staat uiteindelijk ook voor ‘autonoom’ zijn en is dus niet perse negatief. De vader wordt in deze fase steeds belangrijker, omdat hij de peuter steunt in het separeren van de moeder. De vader staat voor het contact met de buitenwereld (wil/ik zal). Er ontstaat een groeiend lichaamsbewustzijn ‘ik ben het lichaam’ met een geheugen en beelden. Dit is het begin van de verknoping van de essentie bewustzijn met het lichaam. Het ongedifferentieerde Zijn raakt naar de achtergrond en het principe van genot nastreven en pijn vermijden komt op de voorgrond te staan.

Het kind blijft zoeken naar autonomie, verbinding en liefde. Essentie Vreugde en Waarde komen hier onder druk te staan, omdat de ouders vaak iets anders willen dan het kind verlangt. In het gelukkigste geval ervaart het kind dat er van hem gehouden wordt, simpelweg omdat hij ‘er is’. Centrale vraag blijft; wat is de juiste afstand en nabijheid? Omdat deze verlangens nooit volledig bevredigd worden, begint het kind zich meer en meer afgescheiden te voelen van zijn omgeving. Het sterke gevoel ‘dat er iets mist’ wordt versterkt. Essentie wordt vervangen door gevoelens van waardeloosheid, hulpeloosheid, machteloosheid, zinloosheid en gevoelloosheid. Deze gevoelens worden, net als de positieve gevoelens van steun, voeding en veiligheid deel van het zelfbeeld.

De gevoelens van niet volledig gedragen en gesteund worden creëren een voortdurend verlangen naar een ideaalbeeld. Er ontstaan strategieën om dit ideaalbeeld te verkrijgen door de omgeving en de ervaring te controleren. Dit zijn structuren en imitaties van onvoorwaardelijke steun. De ego cyclus is nu pijn, (zelf) afwijzing, hoop en verlangen. Dit is de kern van de zoektocht naar geluk. Ook op latere leeftijd.

Alles gebeurt instinctief en op basis van het pijn en genot mechanisme. Er is een super kopieer en leer gedrag. Ontelbare herinneringen worden door een geestelijk proces aan het gevoel van zelf (ik ben) verbonden. Er ontstaat langzaam en zeker een identiteitsgevoel met een emotionele lading van leegte en beperking van het lichaam. Dit is het begin van een uitgebreid zelfbeeld.

5.Tussen het tweede en vierde jaar leert het kindbewustzijn te werken met beelden, symbolen en concepten. Het leert eenvoudige strategieën te ontwikkelen om zijn behoeftes te bevredigen en te overleven.  Het bewustzijn gaat zich langzaam maar zeker vereenzelvigen met mentale en fysieke mogelijkheden. Het bewustzijn creëert in het verlies van steun manieren (imitaties) om zich gedragen te voelen en zelfstandig te overleven. Deze patronen kun je ‘ego’ noemen. Het ego gebruikt de mogelijkheid om de behoeftes en impulsen die in het lichaam ontstaan te controleren door spieren (chronisch) aan te spannen. Gedrag ontstaat doordat een impuls een spier bereikt en gaat bewegen. De verdergaande individuatie leidt naar een gevoelsverhaal ‘ik ben een persoon’. Met de ontwikkeling van de taal treedt het kind een nieuwe wereld binnen vol met verhalen. Het kind is niet alleen meer een bundel van gewaarwordingen, impulsen en emoties maar zet dit om in een verzameling symbolen en concepten rondom het gevoel van het zelf.

In elk kind van ongeveer 2,5 jaar is er een begin van een autobiografisch ‘ik-besef’ ontstaan; ‘ik ben een persoon’. Ergens in dit proces is er een bewustzijnsactiviteit ontstaan die bij elke zintuigelijke en innerlijke waarneming een gevoelsgedachte ’ik’ voor zet (de ‘ik’-maker). Er ontstaat ‘zelfbewustzijn’. Deze activiteit geeft de illusie dat er een solide ‘ik’ is, terwijl het in feite miljoenen ‘ik-jes’ per dag zijn.

Ik verwonder me elke dag over de kracht en beslistheid van mijn 3 jaar oude dochter. Wanneer ze zich uitstrekt om opgepakt te worden zit daar een enorme kracht in. Beide armpjes komen volledig gestrekt als een slaande beweging naar voren. Er zit een positieve agressie in deze handelingen. “Zelf doen, zelf doen”, zegt ze vaak. In frustratie wordt ze uitzinnig boos en daarna met volle drama huilend op de vloer. Na enkele minuten is het totaal verdwenen (vaak moet ik haar tegen me aanhouden om de stress te helpen reguleren). Ze kijkt uit haar ogen met een zachtheid en tegelijk sterke aanwezigheid.  Wat een genot om zo iemand om me heen te hebben. Ik zie in deze fase het ego groeien. Ze kan steeds beter redeneren, vraagt steeds vaker naar het ‘waarom’ van dingen en kan  impulsen meer en meer controleren met behulp van concepten.

6.In de periode van drie tot zes jaar begint ook de seksuele geaardheid van het kind zich te ontwikkelen. Hier ontstaat het zogenaamde oedipus complex. Het gaat over een onschuldige aantrekkings- en levenskracht, die zeker serieus genomen dient te worden door de ouders. Essentie Zinnelijkheid. Dit is nogal een ingrijpende periode, omdat er veel onwetendheid en verwarring in het gezin is rondom deze kinderseksualiteit. De seksuele ontwikkeling is in eerste instantie gericht op de ouder van het andere geslacht. De jongen voelt een sterke seksuele aantrekking tot de moeder en de dochter  naar de vader. Doordat deze onschuldige aantrekkingskracht door de vele verwarrende reacties van de ouders (van misbruik, competitie van de ouders onderling om het kind tot ontkenning van de seksualiteit) wordt verstoord ontstaat er in het kind verwarring rondom het uiten van seksualiteit en daarmee de uitdrukking van algemene levenskracht. De kwetsbare net ontwikkelde Essenties Kracht, Wil en Autonomie kunnen hier al gebroken worden. Het meisje kan zich misbruikt voelen en de jongen gecastreerd. Het meisje verliest haar stralende vrouwelijkheid en de jongen zijn krachtige mannelijkheid. Beiden voelen zich verraden en stellen zich terughoudend naar hun ouders en het leven op. Dit gaat gepaard met een fysieke onderdrukking van levensenergie en kan in latere fases van het leven tot uiting komen in neuroses en moeilijkheden met het aangaan van (seksuele) relaties en het vinden van hartstocht in het leven. Essentie Passionele Liefde.

Iedereen kent een eigen gezinsdynamiek in deze fase. Die van mij was dat mijn moeder mij verliet in deze periode waardoor ik o.a. mijn seksuele kracht heb gekoppeld aan verlies. Op latere leeftijd uitte zich dit in allerlei angsten rondom het blijven gaan voor een vrouw en een actieve sturende richting in mijn leven. Er was een onbewuste overtuiging (en energetische terughoudendheid) dat wanneer ik mijn (seksuele) hartstocht volledig zou openen en inzetten dit resulteert in  afwijzing en teleurstelling. Gevolg was niet meer actief/agressief uitreiken naar anderen en het leven. Een ander patroon was het blijven zoeken naar passionele liefde, wanneer een vaste partner voor mijn gevoel niet meer de totale overgave had ging mijn aandacht naar een andere vrouw die wel gepassioneerd was. Zo’n primair ego patroon gebaseerd op seksuele energie voelt zo echt en noodzakelijk dat het een van de moeilijke patronen zijn om te doorzien.

luna7. De ontwikkeling van zelfrefexie begint rond het vijfde en zesde jaar en loopt tot rond het achtste jaar. Essentie Intelligentie en Empathie. Het tot nu toe egocentrische perspectief ondergaat een radicale verandering door het vermogen zich in te kunnen leven in een ander. Zelfreflexie onderscheid ons van de dieren en is een belangrijk instrument in onze ontwikkeling. Dat is de volgende ontwikkelingsstap.. Belangrijk wordt in deze fase niet hoe het kind moet omgaan met impulsen en emoties, maar hoe het verschillende sociale rollen moet leren spelen. Nieuwe vormen van afweer tegen pijn worden rationalisatie en terughoudenheid. Nu het kindbewustzijn zich in de ander kan verplaatsen wordt het belangrijk hoe het zich tot die ander moet verhouden. Zelf en wereldbeeld worden bepaald door de groep waartoe het behoort. De identiteit verschuift van egocentrisch naar sociaal, al is het sociale perspectief nog vrij beperkt. Het kind van zes tot acht jaar begint met het liefhebben van anderen. Eerst was het ‘ik hou van je, want ik heb je nodig’ en nu wordt dat ‘ik heb je nodig, want ik hou van je’. Hier begint de eigenschap van ‘geven’.

Hoewel er nu een uitgebreid idee van een afgescheiden persoon is ontstaan kan het nog steeds zijn dat het kind zich intuïtief de Essentie herinnert. De kern van essentie is de ervaring van aanwezigheid zonder verhaal (ik ben). Deze intuïtie wordt echter niet gespiegeld door de samenleving, waardoor het gevoel van ‘afgescheiden zijn’ stand houdt en zelfs vergroot wordt. Het kind en later de volwassene blijven deze lichamelijke ‘afgescheidenheid’ als de realiteit zien, tenzij iemand hen weer de essentiële werkelijkheid wijst.

Het kind verliest het vermogen (zichzelf) totaal lief te hebben, omdat er een innerlijke beweging van zelfafwijzing is ontstaan. De afwijzingen van de ouders en buitenwereld zijn verinnerlijkt. Deze zelfafwijzing (een gevoel van te kort) wordt vervolgens naar buiten geprojecteerd en het te kort moet bevredigd worden door een ander, een vorm van genot en de wereld als voedingsbron (moeder). De ouder en later de geliefde zijn in het volwassen leven vaak een centrale focus en de belofte naar geluk. Want, wanneer de ander jou waardeert/ziet is de innerlijke zelfafwijzing even bevredigd. Dit is de liefdesmarkt; jij bevredigd mijn gevoel van te kort en ik bevredig jouw gevoel van te kort. Op zijn best kennen we elkaars behoeftes en leveren we allebei wat in en ontstaat er een gezapig geheel waarbij iedereen zich aan elkaar aanpast. De werkelijke Essentie Autonomie en Versmeltende Liefde zijn verloren. De opbouw van het zelfbeeld wordt met name tot het negende levensjaar door omgevingsfactoren (ouders en school)  en zintuiglijke indrukken geprogrammeerd. Al deze sociale interacties  en indrukken worden passief waargenomen en komen oordeel loos binnen. Dit is een  supersnel en efficiënt leren en creëert de verdere basis van het ‘zelfbeeld’ en het ‘wereldbeeld’ voor de rest van het leven. Dit zelfbeeld is voor een groot deel gebaseerd op ‘de ander’. Dit zelfbeeld is een filter waardoor bewustzijn (wat jij bent) door het lichaam naar de buitenwereld kijkt. Na deze fase gaat het kind de omgeving (o.b.v. het zelfbeeld) onafhankelijk beoordelen.

In iedereen heeft zich inmiddels een gevoelsidee van ‘ik niet goed genoeg’ ontwikkeld, omdat het gebrek aan geborgenheid, steun en behoeftebevrediging onderdeel is geworden van het basis gevoel van het ego. De afwijzing van de omgeving is nu een innerlijke beweging van ‘zelfafwijzing’ geworden. De identificatie met dit gevoel van zelfafwijzing (te kort, hulpeloosheid, machteloosheid en inadequatie) is de kern van het ego en werkt in meer of mindere mate belemmerend in de vrije expressie en intimiteit. Om deze steeds terugkerende gevoelens van frustratie en hulpeloosheid niet te voelen is er een laag van protectie overheen gebouwd. Dit niet willen of kunnen voelen van ‘te kort’ (door er mee te versmelten of juist te dissociëren) is de belangrijkste blokkade in de ontwikkeling naar een vervuld ‘zijn’, ‘non dualisme’ en  ‘zelfrealisatie’.

maksiem18.Rond het elfde tot vijftiende jaar treedt het kind bewustzijn de wereld van ideeën binnen. De pubertijd. Het kind wordt klaargemaakt om te reproduceren en de veranderende hormoonhuishouding veroorzaakt een focus op seksueel gedrag. De prefrontale cortex, een deel van de hersenen wat zorgt voor de integratie is nog niet volgroeid.

De prefontale cortext heeft negen functies;
– de energie regulatie in het lichaam
– het afstemmen op anderen en daarmee het contact maken
– het in balans brengen van emoties
– bewustworden en kalmeren van angst
– het vergroten van de pauze tussen emotie en handelen
– zelfreflexie in tijd (verleden, heden en toekomst)
– empathie (het construeren van innerlijke beelden over de ander)
– moraal (aanpassen aan anderen)
– intuitie (gebruik van informatie uit de buik en hart centra).

De puber kan daardoor nogal heftig gedrag vertonen; a-sociaal, ongevoeligheid voor straf, geen angst en daardoor grote risico’s nemend, plannen en keuzes maken is een probleem en het dag en nachtritme kan gestoord zijn. Dit kan zeker tot het 24e levensjaar duren. De pubertijd gaat ook gepaard met een eindeloze wereld van mogelijkheden die in het bewustzijn tot ontplooiing komt. Allerlei idealistische mogelijkheden doemen op, ze kunnen dromen van dingen die er nog niet zijn. Het is de leeftijd van redenatie en revolutie. Het bewustzijn gaat nadenken over het denken. Het kritisch vermogen komt tot ontwikkeling, waardoor het kind, nu een puber, gaat nadenken over de regels en rollen die tot dan toe het leven bepaalde. Er is een hevige strijd in de paradoxale verlangens van autonomie en verbinding. De exclusieve identificatie met de sociale rollen die de puber speelt worden langzaam losgelaten. Hij ontdekt dat zijn groep niet de enige is in het universum, dat zijn god niet de enige is, dat zijn ideologie niet de enige is. Het perspectief wordt mondiaal, divers en multicultureel. Het zoeken van een identiteit en een richting in de wereld. De puber moet nu zijn eigen weg gaan vinden en zich voorbereiden op het scheppen van een relatie en voortplanting.

Mijn andere dochter is nu vijftien en is voor een groot deel autonoom. Ze heeft sterke ideeën over buitenlanders, uiterlijkheden en de wijk waarin we wonen. Haar aandacht is sterk naar buiten gericht en innerlijk veel stemmingswisselingen. School vindt ze stom en in de toekomst gaat ze aan het strand wonen en ze zal niet veel geld hebben, want ze wil ook niet hard werken. Het verbaast me hoe snel mijn dochter zelfstandig is en ik word me bewust van het feit dat er weinig tijd in het leven is om contact te maken met mijn kinderen. Voordat ik het weet zijn ze zelfstandig en vertrokken.

9.Na de middelbare school (18-30 jaar) gaat het volwassen-bewustzijn op zoek naar een manifesterende kracht. Wat kan ik, wie ben ik en wat wil ik in deze wereld. Er zijn vaak onbegrensde ideeën over wat mogelijk is. Er is nog geen realisme. Stemmingswisselingen en onzekerheden maken een groot onderdeel uit van deze fase. Eigenheid wordt ontwikkeld en er is een sterke drive tot het neerzetten van een levensvorm. Er moet werk, eten, huis en gezin komen.

10.Na het verwerven van een plek in de maatschappij (meestal tussen het vijfentwintigste  en vijfendertigste levensjaar) ontstaat er ruimte voor een volgende ontwikkeling. Werk en relaties zijn duidelijk, overleving en voortplanting zijn meestal geregeld. De ego structuren zijn evenwichtig. Ik zie dat de meeste mensen in deze periode werkelijk afstand nemen van hun ouders en meer met de aandacht het lichaam in gaan. Deze krachtige fase brengt de ontvouwing op de rand van transpersoonlijke stadia (Zijn). Het ego is in de meeste gevallen sterk genoeg om afstand te nemen van zichzelf. Dit bewustzijn wordt gekenmerkt door een groot vermogen tot integratie. Het ‘ik’ en de wereld worden gezien en ervaren als een eindeloos interactief netwerk van mogelijkheden en ideeën. Het observerende ‘ik’ begint zowel het denkvermogen als het lichaam te overstijgen en kan naar beide kijken als objecten. Het voorheen automatische gedrag wordt bewust doorzien en begrepen. Hier kan het stevige bouwwerk van de egoïstische/narcistische of juist de teruggetrokken schizoïde persoonlijkheid gaan wankelen. Alle nog ongeziene objectrelatiebeelden kunnen hier hun  defensiviteit verliezen. Alle onverwerkte gevoelens uit het separatie en individuatie proces uit de vroege kindertijd komen aan het licht. Gevoelens van onbehagen, leegte, machteloosheid, hulpeloosheid, rusteloosheid, doodsangst en verwarring zorgen voor een volledig alleen zijn en indien volledige ervaren, diepere niveaus van het leven. De opgebouwde imitaties van veiligheid en geborgenheid maken plaats voor de onveilige leegte en de confrontatie met het alleen zijn. Deze pijnlijke fase kan naar bevrijding leiden. De enige methode hier is; zijn met wat er is (inquiry).

lijden11. De midlifecrisis rond het veertigste levensjaar is hiervan een bekend fenomeen. Het lichaam begint zich te realiseren dat de fysieke dood een werkelijkheid is. Dit is een schok, want hiervoor was er een illusie van oneindig leven. Er ontstaan vragen zoals; Wat heb ik bereikt? Wie ben ik? Wat is de zin? De potentie van deze crisis is dat het rationele begrip van ‘wie jij bent’ een echt ‘weten van wat je bent’ kan worden. Het gevoel van gemis kan je naar een diepere staat van waarheid brengen.

De mogelijkheid om te zijn met wat er is is verbonden aan het ‘waarnemende’ aspect wat zich in deze fase meer en meer ontwikkelt. Het ‘waarnemende’ aspect kent twee psychologische fenomenen die in de weg staan; versmelting en dissociatie. In de versmelting is er geen afstand van de waarneming, de pijn en de rol die je waarneemt. Er is (onbewust) drama. In dissociatie is er een bewuste weerstand en afwijzing  van de  waarneming, pijn en  rol die je aanneemt en ontstaat er een gevoelloze staat. Te veel afstand. Beide fenomenen geven een vertekend beeld van de werkelijkheid. De middenweg is alles voelen en laten gebeuren. In deze houding komt de essentie in het licht van bewustzijn. Het zijn met ‘wat er is’’ is de enige remedie tegen zelfafwijzing. Er lijkt een wetmatigheid te zijn; er wordt eerst een vorm van te kort, zelfafwijzing en deficiëntie ervaren die op een gegeven moment gevuld wordt met essentie (kracht, volheid, aanwezigheid, persoonlijke essentie). Het zijn met ‘wat er is’ bestaat uit het doordringen van de  behoeftigheid. Als kind is het moeilijk bewust de pijn van behoeftigheid te voelen zonder bevrediging, maar als volwassene is er kracht en helderheid waarmee deze bewegingen van behoeftigheid, zelfafwijzing, frustratie, pijn, projectie, versmelting en dissociatie gevoeld en doorzien kunnen worden.

Het voelen van het te kort, het alleen zijn en de persoonlijke leegte zijn belangrijke aspecten voor de verdere geestelijke groei! Achter deze ego patronen ligt het besef van aanwezigheid en wat daaraan vooraf gaat. De aandacht wordt in deze fase meer en meer gericht op essenties zoals eerlijkheid en waarheid. Zonder de ontvouwing van deze innerlijke waardes in het dagelijkse leven stopt de spirituele ontwikkeling.

Hierna beschreven fases worden doorgaans ook in eerdere fases al geheel of gedeeltelijk geopenbaard. Deze fases zijn niet echt te koppelen aan leeftijd.. De naar binnen en naar buiten gerichte bewegingen komen in evenwicht. In het algemeen geldt dat het eerste deel van het leven naar ‘buiten’ en het tweede deel meer naar ‘binnen’ gericht is.

12. Het idee van de persoon is nu nauwkeurig opgebouwd, aan het wankelen gebracht en kan er nu aan voorbij gaan. In het eerste transpersoonlijk niveau verbreedt het bewustzijn zich tot ver voorbij de grenzen van het benauwende persoonlijke en individuele perspectief. Dit kan, omdat de persoonlijke grenzen, identificatiesystemen en defensies doorzien zijn en beginnen te vervagen/absorberen. De essenties (kracht, wil, vrede, intelligentie, etc.) van het ware zelf worden langzaam en zeker geopenbaard en opgenomen in het systeem. Persoonlijke Essentie. Dit bewustzijnsgebied kent geheel andere wetmatigheden dan die van de persoon. Het wedijver, competitie en schaarste denken maakt langzaam plaats voor een bewustzijn van non dualiteit, compleetheid, sereniteit en aandacht voor de meer algemene kwaliteit van het leven. Er ontstaat een sterke innerlijke gerichtheid, een zachte verliefdheid op eenvoudige aanwezigheid (ik ben). Alles waar hiervoor gevochten is en in geloofd werd betekent niets meer. Er is een heldere blik die het leven doorziet. Alles krijgt een andere gevoelswaarde. Het bewustzijn kenmerkt zich door het groeiende inzicht in de samenhang en veelvormigheid van de wereld. Het is het niveau van het innerlijke zien. Dit is het ontwaken en wordt meestal gevolgd door periodes met enorme levendigheid, volheid en vreugde. Iemand op dit niveau kan een eenheid met de hem omringende wereld ervaren. De kracht van het innerlijk zien is vele malen groter dan de kracht van het denken in begrippen en ideeën op het vorige niveau. De wereld wordt directer en intenser ervaren. De gedachtewereld van het concrete en abstracte denken (die nog steeds ter beschikking staat) wordt aangevuld met de mogelijkheden van een directe innerlijke waarneming van ‘wat je bent’. Er kan een gevoel ontstaan dat alles vanzelf gaat, overgave en dankbaarheid. De Essentie Leiding kan zich hier werkelijk gaan ontvouwen.

12. Het volgende niveau is het niveau van de directe ervaring van ‘wat je bent’ (het onbekende, god, absolute, zelf, licht, energie, etc). De drukkende zorg en zinloosheid zijn vrijwel verdwenen. Er is een gevoel van aanwezig zijn, kracht en vertrouwen. Deze prettige toestand wordt meestal nog jaren verstoord door ‘terugvallen’ waarbij het bewustzijn versmelt met de drie lichamelijke instincten. Fases van helderheid, grote verwarring en droge leegte. Het ervaren zal wisselen van essentie, wanhoop en zoeken. Tegelijk is er een twijfelloos weten ‘wat je bent’. Langzaam zullen de nieuwe kwaliteiten van het stille natuurlijke zijn zich stabiliseren. Alle subtiele ego-grenzen en objectrelaties worden gestaag doorzien. Dit kan jaren duren en gaat voor iedereen volgens een unieke weg (via wetenschap, rituelen, toewijding aan een leraar, kunst, etc). De nieuwe bewustzijnsgebieden worden gegrond in het lichaam.

13. Het ‘laatste’ niveau is de integratie van al deze losse delen tot de Persoon van Zijn. Het ‘non-duale’ onpersoonlijke is tegelijk afgescheiden en persoonlijk. Alles wordt ervaren als waarheid, essentie en ‘IK’. Op het vorige niveau was nog steeds sprake van een subject (ik) dat keek naar een hoger object (god, absolute). Op het non-duale niveau wordt het subject-object dualisme doorzien en overstegen. Het individuele ‘ik’ valt samen met het universele ‘IK’. Ik ben IK. Een samensmelting van twee polen, zonder dat het begrip van beide verdwijnt. Er ontstaat ruimte en innerlijk weten. De veelvoudigheid maakt plaats voor eenheid. Nog steeds volledig de beschikking hebbende over alle voorgaande niveaus van ontwikkeling leeft de persoon in de gewone wereld van gewone mensen in een gewone alledaagse werkelijkheid, maar volledig bevrijdt van het pijnlijke besef een afgescheiden ‘ik’ te zijn. Het ‘ik ben’ is een weerspiegeling van het Absolute in het lichamelijke. Ze zijn onmiddellijk. Het is net of de persoon juist krachtiger aanwezig is. Alleen nu volkomen grenzeloos, flexibel en kwetsbaar. De drie instincten van het lichaam raken op de achtergrond. Meestal wordt de lichamelijke uitingsvorm er een van essentiële vormen zoals liefde, vrede, perfectie, eerlijkheid, vertrouwen, vreugde en soortgelijke kwaliteiten. Elke kwaliteit kent een oneindige verdieping. Deze schat aan  liefde heeft de neiging om zich uit te breiden en over te stromen. Er is genoeg en het is oneindig. De grondhouding is aanwezigheid in volkomen vrijheid. Zonder de noodzaak te willen ‘helpen’, ‘goed te zijn’ of ‘te moeten overleven’ ontwikkelt er meestal een vorm van dienstbaarheid aan het geheel. De volledige potentie van het mens-zijn is nu in volle verwerkelijking. Er is een overgave aan wat het leven is. Een opgelost zijn in dat ene en tegelijk een simpel leven in de wereld. Kosmisch Zijn. Realisatie van essentie.

Een inzicht, de plotselinge oplossing van een probleem, perspectief en duidelijkheid over het doel in het leven, en dan ineens gevoelens van richtingloosheid, de uiterlijke werkelijkheid volkomen anders bekijken, een gevoel van eenheid, sereniteit, extase, golven van stralende vreugde, verkramping, verwarring en somberheid gaan over in dankbaarheid, een vrolijk dansgevoel, jezelf een kanaal voelen voor een meer omvattende, sterke kracht, een gevoel van mateloos mededogen, het overschrijden van tijd en ruimte, boosheid over iets onbenulligs, een niet weten ………

14. De fysieke dood. Het voorgaande is een ideale voorbereiding op de fysieke dood waarbij het leven wordt losgelaten (nadat het volledig is vastgehouden). Naast de geestelijke realisaties krijgt het lichamelijke leven na een volwaardig leven een gezond verlangen om te sterven. Het sterven hoort bij het lichamelijke leven.  Het lichaam lost op in de aarde. De grondstoffen worden weer gebruikt voor de creatie van ander leven.

Het Absolute is al die tijd onaangetast.

Previous Post Next Post

You Might Also Like